is er iemand thuis? | essay #001
Veertig jaar heb ik geslepen aan mijn stem, woorden gevormd tot ze naadloos aansloten bij de kronkels van mijn gedachten. En toen, in een oogwenk, spuugde een machine een tekst uit die akelig veel op de mijne leek. Mijn maag trok samen. Niet omdat de machine mij doorgrondde, maar omdat ze mijn levenswerk herleidde tot een koud patroon.
Ik denk dat veel makers, schrijvers, componisten of ontwerpers dit moment herkennen: het besef dat hun noeste werk straks misschien net zo goed door een machine kan worden voortgebracht. Het eindresultaat zal nooit helemaal hetzelfde zijn, maar de gelijkenis dwingt tot de vraag: waar begint en eindigt mijn eigen handtekening?
Wat doet AI? Een taalmodel verwerkt patronen. Het analyseert miljarden teksten, leert statistische verbanden en voorspelt welk woord het meest geschikt is als volgende bouwsteen. Dit proces verloopt snel, in elke denkbare stijl, uit elk tijdperk. Er is geen sprake van vermoeidheid, twijfel of humeur.
Wat het niet doet: waarnemen.
Het verschil is wezenlijk, maar vertaalt zich niet altijd in het eindresultaat. Een door AI geschreven tekst kan sterk lijken op een zelfgeschreven tekst. Het onderscheid ligt niet in het eindproduct, maar in het existentiële van het creatieve proces.
Mijn schrijfstijl ontstond niet uit een vooropgezet plan. Ze groeide uit veertig jaar kijken, luisteren, struikelen, bijsturen, loslaten en telkens weer opnieuw beginnen. Mijn lichaam wist vaak eerder dan mijn hoofd wat werkte. Soms schrijf ik iets waardoor de haren op mijn armen overeind springen. Dan weet ik: nu klopt het.
Dat gevoel is geen resultaat van informatieverwerking, maar een gevolg van waarneming.
De machine vlecht patronen. Ze doorzoekt miljarden teksten, herkent terugkerende structuren en produceert een resultaat dat netjes in het weefsel past. Soms oogt het resultaat indrukwekkend, maar het is niet voortgebracht door een lichaam dat een zin voelt voordat het haar begrijpt. Er ontbreekt een geschiedenis van aarzeling en ervaring die woorden gewicht geeft. Er is geen besef van sterfelijkheid dat de urgentie creëert om precies dit te zeggen op dat moment. De machine synthetiseert, het eindresultaat is een kansberekening. Ze reduceert en zoekt naar de grootste gemene deler.
Waarnemen is iets totaal anders dan synthetiseren. Waarnemen is met je hele wezen deelnemen aan de werkelijkheid: met je lichaam, geheugen, zintuigen en beperkingen. Die deelname is nooit neutraal, maar gekleurd door herinneringen, ervaringen en zelfs je ochtendhumeur. Juist die subjectieve tint geeft betekenis. Menselijke creatie is het product van alles wat je raakt, van emoties, ervaringen en littekens: het kleinste gemene veelvoud. Het is een complexe verzameling van alles wat ik ben, inclusief mijn fouten en eigenaardigheden. Dat veelvoud bereik je niet door synthetiseren; het moet worden geleefd.
Deze tekst is geen afwijzing van technologie. Ik maak gebruik van AI; het ondersteunt mij bij reflectie, structurering en verkenning. Toch ervaar ik een verschil tussen momenten van informatieverwerking en momenten van waarnemen. Het eerste is functioneel, het tweede is van existentiële aard.
Wanneer ik schrijf en het resultaat klopt, niet alleen technisch maar als een toon die zuiver is en resoneert, is dit geen kwestie van woordkeuze. Het betreft afstemming. Er vindt een synchronisatie plaats tussen iets in mij en het werk, wat leidt tot herkenning. Dit is geen gevoel van trots of opluchting, maar het besef dat ik iets heb waargenomen dat reeds bestond en het de juiste vorm heb gegeven.
Een machine kan deze vorm genereren, maar zij kan de voorafgaande afstemming niet ervaren. Zij beschikt niet over onderarmen waarop de haren overeind gaan staan, noch over een maag die van emotie kan samentrekken.
De kernvraag is niet of machines steeds beter worden in het produceren van resultaten, maar wat er overblijft wanneer de eindproducten van mens en machine niet meer te onderscheiden zijn.
Mijn antwoord is voorlopig en persoonlijk: wat overblijft is de biologische waarnemer. Het unieke perspectief van een sterfelijk lichaam in een grenzeloze werkelijkheid, steeds zoekend naar afstemming. Niet om te presteren, maar om te begrijpen. Niet om simpelweg te produceren, maar om vanuit een eigen, eindig gezichtspunt iets te vangen dat groter is dan het zelf. Dat is iets wat een machine nooit op dezelfde manier zal kunnen.
J. Vansteelant