erfzonde | essay #004

Marilou en Lenn zijn momenteel op een surfsessie. Jolijn is meegegaan om te “kijken”. Wellicht speelt moederlijke bezorgdheid om haar jongste daar ook wel een rol in.

Zelf verlang ik vooral naar momenten van reflectie, schrijven en lezen. Het lijkt wel alsof de zomer die bezigheden altijd naar de achtergrond duwt.

We verblijven momenteel op een camping in de omgeving van Vila Nova de Milfontes. Op zich een verzorgde camping aan de Atlantische Oceaan, maar we staan te dicht bij de weg die naar Praia do Malhão leidt.
Ik koester de zeldzame stiltemomenten tussen de passages van auto’s. Het stof nestelt zich op mijn toetsen, maar gelukkig brengen de lange wandelingen en de nachten rust.

Dit is een foto van een nest van de witte ooievaar. De Costa Vicentina, in Portugal, is de enige plek in de wereld waar witte ooievaars op steile kliffen en rotspunten boven de oceaan nestelen. Dat ben ik ook pas te weten gekomen nadat ik de foto had genomen.
Dit is een foto van een nest van de witte ooievaar. De Costa Vicentina, in Portugal, is de enige plek in de wereld waar witte ooievaars op steile kliffen en rotspunten boven de oceaan nestelen. Dat ben ik ook pas te weten gekomen nadat ik de foto had genomen.

Morgen trekken we alweer verder. Het plan: de hele westkust van Portugal afschuimen.

Toch denk ik dat niets de schoonheid van het natuurgebied rond Sagres en Cabo de São Vicente kan overtreffen. De stilte daar, als je de wind goed verdraagt, is ongeëvenaard. Het was het beginpunt van onze reis en misschien hebben we daarmee ons kruit al verschoten.

Ik stelde me net een wereld zonder houtduiven voor. Die krengen volgen me echt overal.

Gisteren las ik in ‘De ontdekking van de Hemel’ van Harry Mulish de term ‘peau de suède’ over iemands schoenen. Een soort elektrische schok bracht me meteen terug naar het eerste middelbaar.

Een zekere Sven (denk ik) staat vooraan in de klas om zijn opstel voor te dragen. Hij heeft het over een jongen die zeemleren schoenen draagt. Hij krijgt het bijna niet gedeclameerd; zo amusant vindt hij het, net als zijn drie vrienden. De rest van de klas snapt de grap niet of heeft er geen interesse in.

“Bom dia,” groeten een bejaard koppel met elk een hondje aan de lijn, terwijl ze ons kampement voorbijstruinen. Vanaf wanneer zal men mij eigenlijk bejaard gaan noemen? Voor kinderen ben ik dat wellicht al.

De jongen met de zeemleren schoenen, dat ben ik. Het zijn bruine Adidas-sneakers die aan mijn moeder toebehoorden, maar die ze nu aan mij heeft gegeven. Geen idee waarom, maar ik draag ze graag en ben al blij dat het eens schoenen van een gekend merk zijn. Dat het suède schoenen zijn, kan me eerlijk gezegd worst wezen.

Ik vind het in elk geval niet te vergelijken met het plunje waarmee mijn moeder me enkele maanden eerder naar school had gestuurd: een banaangele zelfgebreide vest met knopen, op een witte broek, en boven banaangele basketschoenen.

Ook in 1983 werd zoiets niet modieus geacht. Hoewel ik die dag angstvallig de speelplaats opging, werd ik er niet om uitgelachen. Misschien dachten ze dat iemand die zoiets durfde te dragen zichzelf ook zonder twijfel durfde te verdedigen.

Maar nu met die zeemleren schoenen dus wel. De speekselspetters vliegen onophoudelijk uit Svens proestende bek. Ligt het aan een beugel of gewoon aan een mismaakt bakkes? Ik kan het me niet meer exact herinneren. Ik herinner me wel de hoeveelheid spuug en de zin om het weg te vegen met iets uit zeemleer.

Vanaf die dag liet ik het kledingadvies van mijn moeder links liggen. Een twaalf jaar durende “collab” werd van de ene op de andere dag beëindigd.

Niet met zoveel woorden uiteraard, maar zelfgebreide en andere felgekleurde kledingstukken werden in stilte aanvaard en in de kast opgeborgen om nooit te worden gedragen.

Verzet in stilte. Nog steeds uit schuldgevoel voor de grootste verzetsdaad uit mijn leven? Na mijn eerste dag in de kleuterklas kwam ik verbolgen thuis en weigerde ik om nog langer de huiselijke voertaal te gebruiken. Tot dan toe was ik in het Duits opgevoed en nu had ik moeten vaststellen dat dit op een Vlaamse school een volstrekt nutteloos middel tot communicatie bleek te zijn.

Mijn verzetsdaad leidde tot de invoering van een nieuwe voertaal ten huize Vansteelant-Götze. Zodoende heeft ook mijn moeder zich de Nederlandse taal, weliswaar de Westvlaamse variant, eigen moeten maken.

Het dragen van, toegegeven, wat aparte outfits door de jaren heen lijkt me dan ook een toepasselijke Wiedergutmachung voor mijn moeder.

Ondertussen ramt een Portugese snotneus hier eindeloos op de claxon van een camper. Zijn ouders lijken het volstrekt normaal te vinden.

Ik som even wat hoogtepunten uit onze jarenlange vestimentaire samenwerking op:

1) Lederhosen: uit nostalgie voor de Heimat, neem ik aan, diende ik een lederen broek te dragen naar de lagere school. Jammer genoeg een kniebroek. Zodoende kreeg ik bij thuiskomst nog onder mijn voeten wegens beschadigingen aan het leder. Knikkeren zonder op je knieën te zitten is nu eenmaal niet haalbaar.

2) Outfit voor mijn eerste communie: een soort discopakje zoals John Travolta in Saturday Night Fever. Crèmekleurige broek met olifantpijpen, een crèmekleurig mouwloos vestje met een donkerbruine rits en daaronder een chocoladebruin hemd met lange puntige revers. Jammer genoeg deed mijn broer op hetzelfde moment zijn plechtige communie en had hij hetzelfde ensemble aan.

3) Een absoluut klapstuk uit de collectie: het gebreide broekje voor aan het strand. Hierover kan ik kort zijn. Gebreide wol in een omgeving met water en zand blijkt niet zo'n geslaagde keuze. Het polijsten van een scrotum, hoe jong dan ook, is een pijnlijke zaak.

4) Het meest dierbare stuk uit de garderobe: een roestbruin gebreid kleutervestje met lange mouwen en knopen

Ik herinner me dat vestje met veel warmte. De gedachte eraan biedt me nog steeds een zekere troost. Het speelt ook een rol in één van mijn herinneringen aan onze eigen versie van Villa Kakelbont: een huurhuis waar ik mijn eerste vijf levensjaren samen met ouders, oudere zus en broer doorbracht. Met een tuin vol pluimvee, grote graspluimen en een levensgevaarlijke schommel die me een halve hersenschudding heeft bezorgd.

De specifieke herinnering speelt zich af aan het einde van die tuin, aan de geëlektrificeerde prikkeldraad die een grens trok met de weide, bevolkt met prachtige zwart-witte melkkoeien, die erachter lag.

Ik sta er in het dauwnatte gras op blote voeten en in mijn bloot gat (naar verluid een bewuste vestimenaire optie van mij tijdens de kleuterjaren). Mijn linkerhand krabt aan de lijmkorst, het gevolg van onzorgvuldig geknutsel met lijm die niet bedoeld is voor kleuters, op de borst van het roestbruine vestje, terwijl mijn rechterhand de onderste prikkeldraad vasthoudt. Bij elke schok trek ik even mijn rechterhand terug om hem dan even kordaat terug te leggen. Een bezigheid waar men mij blijkbaar vaak van moest weerhouden.

Wat ik op dat moment dacht, weet ik niet meer. Wat ik voelde wel, maar waarom ik er zoveel van genoot, is me vandaag de dag minder duidelijk.
Schuldgevoel?

14/08/2026
J. Vansteelant
同調 contact