brief aan david | essay #003
Dag David,
Hangend in de hangmat, terwijl ik met één been loom heen en weer wieg en net je brief heb gelezen, valt mijn oog op iets eigenaardigs. Alles lijkt windstil. De bamboe naast me staat roerloos. Alleen de top van de zilverberk buigt lichtjes mee op een fluisterzachte bries, net als de hoogste takken van de rode beuk, de zomereik, de esdoorn en de magnolia.
Toch klinkt het populierenbos, veertig meter verderop, als een opgewekt bergbeekje. Elk blaadje zwaait uitbundig in een wind die je zelf niet voelt.
Ik vraag me af: wat is het nut hiervan? Waarom dat uitbundige geruis? Wat probeert dat bos te verbergen? Waarom vangt het de wind zo gretig? Zouden de andere bomen, of eekhoorns, bosuilen en buizerds zich hier niet aan storen?
De oorzaak van het geruis zit blijkbaar in de bladsteel. Bij populieren is die lang en zijdelings platgedrukt. Het platte vlak van de steel staat dus dwars op het platte vlak van het blad. Daardoor biedt de steel bijna geen weerstand tegen torsie in de richting waarin het blad wil kantelen. Bij een eik of beuk zit het blad op een ronde, stijvere steel die het blad in het horizontale vlak houdt. Daar moet de wind dus eerst de hele tak meenemen.
Door de slappe, platte steel begint het blad gemakkelijk te resoneren, een beetje zoals het riet in je saxofoon (hoewel ik weet dat het nu ook niet zo gemakkelijk is om dat riet te doen trillen).
Een zuchtje volstaat om de trilling te starten. Het ruisen zelf wordt uiteindelijk veroorzaakt door duizenden blaadjes die tegen elkaar tikken.
Een functie voor het ruisen is tot op heden onbekend. Voor de beweging van de bladeren heeft men wel een verklaring. Op die manier laten de bovenste bladeren immers licht doordringen naar de lagen eronder, zodat de boom als geheel maximaal profiteert van het beschikbare licht.
Het fladderen van de bladeren zorgt ook voor beweging in de lucht rond de bladeren, wat de opname van CO₂ en de afvoer van warmte bevordert.
Voor dieren blijken de voordelen van de populier het nadeel van het ruisen ruimschoots te overstijgen. Het zijn snelgroeiende bomen met daardoor een harde schil, maar een eerder zachte kern, vaak door kernrot (bijvoorbeeld Phellinus tremulae). Daardoor geliefd bij de specht, want gemakkelijk uit te beitelen, maar met een stevige wand eromheen. En elk spechtenhol wordt doorgegeven aan mezen, boommarters, vleermuizen en bosuilen.
Maar ik dwaal af. Ik schrijf je natuurlijk als antwoord op je brief! Heerlijk om nog eens een brief per post te ontvangen. Het feit dat het een getypte is, doet er eigenlijk niet toe, want zoals je zelf schrijft, vanaf een bepaalde leeftijd is het de zorgvuldigheid die telt, en ook ik heb nog weinig vertrouwen in mijn eigen handschrift. Ik merk namelijk dat mijn hand ergens midden in een zin onwillekeurig de verkeerde kant kan opschieten. De regelmaat van het schrijven met een pen is eruit.
Het doet me deugd dat je er een dagje van je reis door Zweden aan hebt gewijd om 'Herinnerende handen' te lezen. Misschien is het wat belachelijk van me, maar ik word er oprecht blij van dat het boek al tot in Scandinavië is geraakt. En ik word er nog veel blijer van dat je het graag hebt gelezen.
Je hebt trouwens gelijk over wie een inspiratiebron was. Ik schreef er al over in 'is er iemand thuis?'. We hebben het daar nog eens over als we elkaar in levende lijve treffen.
Dat het je op de een of andere manier ook doet denken aan de film 'Remains of the Day' is veel te veel eer. Wat daar wel een link mee heeft, is dat Kazuo Ishiguro, de schrijver van de roman waarop de film is gebaseerd, van geboorte Japanner is en dat ik 'Herinnerende handen' heb geschreven na het lezen van heel wat werk van Kawabata en Tanizaki. Het is misschien vergezocht, maar wie weet is er in dat Japanse toch iets dat doorklinkt en resoneert.
Je anekdote over het strijkkwartet uit de balkan, dat we samen hebben ervaren op een Gentse Feesten wellicht twintig jaar geleden of meer, raakt me en was voor mij een verloren herinnering die ik nu heb teruggevonden. Daar ben ik je heel erg dankbaar voor. In aanwezigheid van schoonheid of kwetsbaarheid durven bij mij de tranen al eens snel te vloeien.
Maar genoeg sentimentaliteit, nondeju.
Liefs,
Joachim
J. Vansteelant